Verandering en continuiteit (gs)

Het beschrijven van processen van verandering en continuïteit.

Intro

Vaardigheid
Processen van verandering en continuïteit beschrijven.

Lees ook: Een onvoorspelbaar proces. Leren beschrijven van verandering en continuiteit (Kleio, 2019) (pdf)

Probleemanalyse
Op mijn school merk ik dat leerlingen het moeilijk vinden om processen van verandering en continuïteit te beschrijven. Het herkennen en noemen van veranderingen lukt leerlingen vaak nog wel. Ze zijn echter niet goed in staat om de veranderingen vervolgens te typeren en met de juiste taal te beschrijven. Hierdoor zijn hun beschrijvingen vaak warrig, ongenuanceerd en onnauwkeurig. Daarnaast vinden leerlingen het lastig om continuïteiten te herkennen, te benoemen en te beschrijven. Het inzicht dat elementen afkomstig uit verschillende tijdvakken zich gelijktijdig in één tijdvak kunnen manifesteren lijkt helemaal te ontbreken. Omdat we het beschrijven van processen van verandering en continuïteit een belangrijke vaardigheid vinden, willen we leerlingen in de onderbouw ondersteuning bieden om deze complexe vaardigheid te verbeteren.

Om verandering en continuïteit te beschrijven moeten leerlingen allereerst kunnen aanwijzen wat er verandert, en vervolgens wat er gelijk blijft (Wilschut, 2016). Daarbij is het belangrijk dat ze de oorspronkelijke situatie kunnen beschrijven zoals die bestond voor de verandering. Vervolgens is het van belang dat ze de veranderingen en continuïteiten kunnen typeren (door bijvoorbeeld te letten op tempo, terrein en impact) (Van straat, 2012). Tot slot is het belangrijk dat leerlingen het benodigde vocabulaire ontwikkelen dat nodig is voor een goede beschrijving van verandering en continuïteit.

Dat leerlingen op moeite hebben met deze sub-vaardigheden blijkt uit de antwoorden die ze geven bij opdrachten en toetsvragen. Bij een vraag over veranderingen als gevolg van de agrarische revolutie wordt door een leerling uit de brugklas bijvoorbeeld als volgt geantwoord: ‘Toen vonden ze landbouw uit en werden ze allemaal boer en toen werd het allemaal groter, meer oogst, meer landbouw, meer samenleving.’ Hoewel dit antwoord een aantal goede ingrediënten bevat, is de beschrijving ongenuanceerd en onduidelijk. De leerling geeft geen beschrijving van de oorspronkelijk situatie, noemt geen continuïteiten en typeert ook de verandering nauwelijks. Ook valt direct op hoe de leerling het woord ‘toen’ gebruikt en dat de (vak)taal (bijvoorbeeld: geleidelijk, plotseling, economische, sociaal) die past bij een goede beschrijving van verandering en continuïteit ontbreekt. Opmerkelijk is dat bij het nabespreken bleek dat de leerling veel meer wist over de agrarische revolutie dan dat hij had opgeschreven. Doordat deze leerling niet voldoende geoefend was in het beschrijven van verandering en continuïteit miste hij dus (onnodig) punten op de toets.

Het bovenstaande voorbeeld is illustratief voor veel beschrijvingen die leerlingen in de onderbouw geven. Wat verder opvalt, is dat het inzicht bij leerlingen lijkt te ontbreken dat verschillende elementen afkomstig uit verschillende tijdvakken zich gelijktijdig in één tijdvak kunnen voordoen (de gelijktijdigheid van het ongelijktijdig). De leerling van het bovenstaande voorbeeld lijkt bijvoorbeeld te denken dat toen landbouw werd uitgevonden, alle jagers-verzamelaars in betrekkelijk korte tijd boer werden. In deze episodische visie op geschiedenis, ook wel ‘patch history’ genoemd lijkt het besef dat de overgang van een jagers-verzamelaars samenleving naar een agrarische samenleving een langzaam en geleidelijk proces is, waarin ook elementen van continuïteit bestaan, te missen (Levesque, 2015., Counsel, 2015). Wellicht is dit ook een van de redenen dat leerlingen vaak te kort door de bocht zijn hun in beschrijvingen. Het is belangrijk dat leerlingen leren in te zien dat verandering en continuïteit het gevolg zijn van een vaak geleidelijk en vaak onbedoeld proces (Lee, 2005., Foster, 2008). Dit maakt het vak geschiedenis niet voorspelbaar en dus interessant en de moeite waard om te bestuderen. Inzicht in de aard van verandering en continuïteit kan leerlingen dus motiveren om zich verder te verdiepen in geschiedenis.

Relevantie

  1. (Geschiedenis)
    Het beschrijven van verandering en continuïteit helpt leerlingen te onderkennen dat (historische) verandering een proces is, dat vaak geleidelijk en onbedoeld verloopt (Seixas, 2012, Levesque, 2015). Dit inzicht maakt geschiedenis een aantrekkelijk en uitdagend vak (Lee, 2005., Foster, 2008).
  2. Daarbij helpt het goed kunnen beschrijven van verandering en continuïteit om de eindeloze, ongestructureerde reeks feiten in de geschiedenis te ordenen in periodes en thema’s. Leerlingen kunnen geschiedenis hierdoor beter begrijpen en dit begrip ook zichtbaar te maken in hun werk (Van Straaten, 2012., Counsel, 2015).
  3. (Maatschappijvakken)
    Het beschrijven van verandering en continuïteit verschaft leerlingen verder inzicht in de aard van verandering: hoe veranderingen verlopen, wat voor oorzaken er zijn, wat er precies verandert en wat veranderingen betekenen. Op die manier zijn leerlingen ook beter in staat verandering en continuïteit in het heden en de toekomst te duiden. Met name in een samenleving waarin veranderingen elkaar steeds sneller opvolgen is dit een belangrijke vaardigheid (Seixas, 2004).
  4. (Eindexamen)
    Tot slot zijn verandering en continuïteit onderdeel van Domein A. van het eindexamenprogramma geschiedenis.

Onderliggende vaardigheden – aansluiting bij rubric
Verandering en continuïteit beschrijven is niet eenvoudig. Leerlingen dienen naast kennis van de tijd die ze willen beschrijven ook een hele reeks aan onderliggende vaardigheden te beheersen. Om de leerlingen beter te maken in het beschrijven van verandering en continuïteit focus ik mij op de onderstaande vaardigheden.

De leerling kan:

  1. Beschrijven wat er veranderde en maakt daarbij duidelijk hoe de oorspronkelijke situatie was zoals die bestond voor de verandering.
  2. Benoemen wat hetzelfde blijft.
  3. Een historische verandering typeren in termen van tempo, terrein en betekenis/belang; tempo (snel, langzaam, geleidelijk), terrein (politiek, economisch, sociaal, cultureel), betekenis/belang (schaal, intensiteit, breedte).
  4. Zowel relevante historische begrippen als structuurbegrippen op de juiste manier gebruiken in een beschrijving.
  5. Uitleggen dat in de geschiedenis sommige zaken veranderen terwijl andere zaken gelijk blijven of nauwelijks veranderen.

Hogere vaardigheden waar ik me niet op richt maar die wel aanbod kunnen komen:

  1. Uitleggen dat elementen afkomstig uit verschillende tijdvakken zich gelijktijdig in één tijdvak kunnen manifesteren.
  2. Uitleggen dat veranderingen als verbeteringen of verslechteringen kunnen worden uitgelegd afhankelijk van het perspectief dat wordt ingenomen.
  3. Uitleggen dat elke ordening van continuïteit en verandering een interpretatie is.

Ideale situatie voor zelfregulatie
In een wenselijke situatie begrijpt de leerling de relevantie van de vaardigheid. Daarom is de leerling gemotiveerd om hier beter in te worden. De leerling is zich er bovendien bewust van dat hij/zij bezig is het aanleren/verbeteren van de vaardigheid. Om de vaardigheid te verbeteren bepaald de leerling (samen met de docent), aan de hand van een heldere niveaubeschrijving, op wel niveau hij/zij staat. Vervolgens stelt de leerling (samen met de docent) een concreet leerdoel om de vaardigheid te verbeteren. Om dit leerdoel te halen gaat de leerling (met medeleerlingen) aan de gang met een uitdagende leertaak. Hierbij krijgt de leerling enkele scaffolds aangereikt die hem/haar helpen de vaardigheid beter onder de knie te krijgen. Na verloop van tijd neemt de hulp die deze scaffolds bieden af. De scaffolds voldoen aan een aantal kenmerken:

  • Zetten de leerling aan om een heldere leerstrategie toe te passen.
  • Naarmate de vaardigheid verbetert neemt de begeleiding van de docent (en gebruik van scaffolds) geleidelijk af.
  • Er zijn momenten ingebouwd waarop de leerling reflecteert of hij/zij nog op de goede weg is of moet bijsturen. Hierbij wordt de leerling door een rubric ondersteunt.
  • Uiteindelijk reflecteert de leerling door opnieuw naar de niveaubeschrijvingen te kijken en constateert of het leerdoel behaald is en de vaardigheid verbeterd of niet. Indien dat niet het geval is herhaalt hij/zij de cyclus.

Bevorderen van zelfregulatie in de mens- en maatschappijvakken – NRO praktijkgericht onderzoek (40.5.18500.018) Universiteit van Amsterdam 2020

Verandering en continuïteit beschrijven –
Bernard Kors, Springh High

Rubric

 

Klik op de afbeelding om de rubric te vergroten of download de rubric als pdf

Video

Scaffolds

SCAFFOLD – Hulpvragen Verandering en Continuïteit beschrijven
download (pdf)

SCAFFOLD – Schrijfhulp Beschrijven van verandering en continuïteit
download (pdf)

Lessen

Drie van de vaardigheden die leerlingen bij geschiedenis leren is het onderscheiden, beschrijven en vervolgens verklaren van verandering en continuïteit. We zijn geneigd om de eerste twee vaardigheden (onderscheiden en beschrijven) minder aandacht te geven dan de laatste (verklaren) en dat is zonde. Het puur onderscheiden en vervolgens beschrijven van verandering en continuïteit is namelijk moeilijk voor veel leerlingen.

Door deze vaardigheden expliciet en inzichtelijk te maken voor leerlingen en door hen in leertaken te ondersteunen met verschillend scaffolds, kan hen bekwaamheid toenemen. Daarbij is het nuttig om een aantal denkstappen expliciet in instructies en leertaken te verwerken. Deze denkstappen zijn verwerkt in een serie hulpvragen en schrijfhulp.

De vragen staan in leerlingentaal en kunnen daarom ook direct aan de leerlingen worden gegeven. De rubric maakt duidelijk waaraan een goede beschrijving van verandering en continuïteit moet voldoen.

Download de lessen (pdf)

MENU